Studieopbouw

De volledige opleiding Archeologie omvat een undergraduate (propedeuse en bachelor) en een graduate (master) fase.

Opbouw

In het eerste jaar van de studie (de propedeuse) worden inleidende colleges gegeven over algemene aspecten van de archeologie en over de beschavings-gebieden die als afstudeerrichting gekozen kunnen worden; daarnaast komen enkele belangrijke steunvakken aan bod. Het eerste jaar bestaat voor een groot deel uit hoor- en responsiecolleges, maar ook het schrijven van werkstukken en materiaal- en veldpractica staan op het programma.


Na de propedeuse volgen drie studiejaren, ondergebracht in de BA-fase (2e en 3e jaar) en de MA-fase (4e jaar).
In het 2e jaar kies je 2 profielen, plus een verdiepings- óf verbredingscollege. Door het uitgebreide scala aan cursussen kun je je breed oriënteren en kennismaken met de veelzijdigheid van de studie.
De verdiepingscolleges bestaan uit 3e-jaarsvakken, en alterneren elk jaar zodat je in het 3e jaar niet hetzelfde college nog eens volgt. Verbredingscolleges bestaan uit vakken uit het overgebleven profiel dat je niet gekozen hebt.

In het 3e jaar heb je de keuze uit 5 specialisaties. Je kunt ervoor kiezen om 2 van deze specialisaties te volgen, of 1 specialisatie plus een halve minor te doen.

Ook het volgen van cursussen buiten de Universiteit Leiden behoort tot de mogelijkheden, maar het is aan te raden hierover eerst te overleggen met de studieadviseur.

Gaandeweg neemt het aantal responsiecolleges af en wordt er meer zelfwerkzaamheid van je gevraagd. In de praktijk betekent dit het volgen van werkcolleges, het houden van presentaties en het schrijven van werkstukken.

De Bachelor wordt afgesloten met een langer werkstuk, de scriptie. 

Je volgt in principe de studieopbouw van het studieprogramma zoals dat beschreven staat in de studiegids uit het jaar waarin je aan de studie begint.

Het is mogelijk over te stappen naar een (gewijzigd) programma van een latere gids indien het onderwijs daartoe gelegenheid biedt.
Studieonderdelen uit het oude programma die dan niet meer zijn vereist, kunnen in de vrije keuzeruimte of  worden opgevoerd of via de overgangsregeling met nieuwe onderdelen worden gelijkgesteld.

Niveau-aanduiding

Elk programmaonderdeel is in onderstaande abstracte categorieën te beschrijven. In onderstaand overzicht is steeds uitgegaan van een cursus (met leerboeken, opdrachten, referaten, werkstukken, etc.).
Andere onderwijsvormen, zoals practicum, vaardigheids-onderwijs, training, onderzoeksprojecten, tutoraat, etc. zijn op dezelfde schaal te plaatsen.
In het bijzonder dient het niveau van de tentaminering als criterium te worden meegenomen.

Undergraduate/ Bachelor

  • niveau 100: inleidende cursus, voortbouwend op het niveau van het eindexamen VWO. Kenmerken: onderwijs gebaseerd op stof in handboek of syllabus, didactisch gestructureerd, met oefenstof en proeftentamens; begeleide werkgroepen; accenten in studiestof en voorbeelden in colleges
  • niveau 200: cursus met inleidend karakter, geen specifieke voorkennis maar wel ervaring met zelfstandig studeren.
    Kenmerken: leerboeken of ander onderwijsmateriaal van min of meer inleidend karakter; colleges bijv. in de vorm van capita selecta, zelfstandige bestudering van de stof wordt voorondersteld; geen werkgroepen of proeftentamens
  • niveau 300: cursus voor gevorderden (ingangseis niveau 100 of 200). Kenmerken: leerboeken, die niet speciaal voor onderwijs hoeven te zijn  geschreven; zelfstandige bestudering van de tentamenstof; bij tentamens zelfstandige toepassing van de leerstof op nieuwe problemen.
  • niveau 400: gespecialiseerde cursus (ingangseis niveau 200 of 300).  Kenmerken: naast een tekstboek gebruik van vakliteratuur  (wetenschappelijke artikelen); toetsing (mede) d.m.v. een klein onderzoek, een referaat, of een schriftelijk werkstuk.

Master:

  • niveau 500: wetenschappelijk georiënteerde cursus (toegangseis: de student is toegelaten tot een masterprogramma; voorbereidende cursus op niveau 300 of 400 is gevolgd). Kenmerken: bestudering van wetenschappelijk geavanceerde vakliteratuur, bedoeld voor onderzoekers; toetsing gericht op probleemoplossing d.m.v. een referaat en/of werkstuk of eigen onderzoek, met zelfstandige kritische verwerking van het materiaal.
  • niveau 600: zeer gespecialiseerde cursus (ingangseis niveau 400 of 500). Kenmerken: actuele wetenschappelijke artikelen; laatste vorderingen van het wetenschappelijk denken; zelfstandige bijdrage (scriptie-onderzoek) waarin een nog niet opgelost probleem wordt behandeld, met mondelinge presentatie.
 

Studiepunten

Volgens het ECTS (=European Credit Transfer System) bestaat 1 jaar studie uit 60 ects (studiepunten). 1 ects = 28 uur studeren. Eén ects-punt staat voor:

  • 14 uur hoorcollege, óf
  • 14 uur werkgroep, óf
  • 20 uur practicum, óf
  • 140 bladzijden literatuurstudie, óf 
  • 3,5 dag veldwerk, óf
  • 1.500-1.800 woorden (bv. essay)

Werkstukken / scripties

Werkstukken dienen aan de volgende minimale eisen te voldoen:

  • bladformaat A4,
  • bladzijden genummerd,
  • conform opgegeven normen voor verwijzingen en referenties, 
  • conform opgegeven aantal pagina's (exclusief de bibliografie) 
  • voorzien van relevant en kwalitatief goed beeldmateriaal, 
  • voldoen aan het geleerde in de cursus Academische Vaardigheden

Zie voor meer informatie over scriptie criteria: "waar moet een scriptie aan voldoen?"

Voor het afstuderen dient één exemplaar van het BA-werkstuk/de MA-thesis samen met het beoordelingsformulier (volledig ingevuld en ondertekend door de hoofdbegeleider) te worden ingeleverd bij het Onderwijssecretariaat.
Dit exemplaar zal na het afstuderen voor het archief worden doorgegeven aan de bibliotheek van de faculteit.

Tentamens en herkansingen

De meeste studieonderdelen worden afgesloten met een opdracht of een schriftelijk tentamen. Deze moeten alle met een voldoende zijn beoordeeld. 5,5 is onvoldoende; 5,6 is voldoende – deze worden voor alle duidelijkheid afgerond op respectievelijk 5 en 6. Voor de geldigheidsduur van tentamens is het onderwijs- en examenreglement (OER) te raadplegen.

Een tentamen wordt 2 maal per collegejaar afgenomen. Bij een onvoldoende word je verondersteld deel te nemen aan de eerstvolgende herkansingsmogelijkheid.

Recht op een herkansing heb je alleen als je aan de eerste tentamenmogelijkheid hebt deelgenomen of indien onvermogen is aangetoond; dit laatste uiteraard in overleg met de betrokken docent en de studieadviseur.

Tijdens een tentamen dien je een geldig legitimatiebewijs en je collegekaart te kunnen tonen indien hierom wordt gevraagd.

Voor alle toetsmomenten (schriftelijke tentamens, werkstukken, presentaties, etc.) moet je je inschrijven via het online registratiesysteem uSis. Hiervoor worden strikte inschrijvingstermijnen gehanteerd, die terug te vinden zijn in de tentamenroosters.

Je kunt je via uSis inschrijven tot 3 dagen voordat een tentamen/een deadline plaatsvindt.

Laatst Gewijzigd: 17-11-2014